
Jurisprudentie
AF8515
Datum uitspraak2003-04-18
Datum gepubliceerd2003-07-22
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
ZaaknummersAWB 02/1082 WW44 Z FEE
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2003-07-22
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
ZaaknummersAWB 02/1082 WW44 Z FEE
Statusgepubliceerd
Indicatie
verweerder eiser medegedeeld dat verweerder heeft besloten de bij besluit van 14 september 1989 verleende bouwvergunning in te trekken op grond van artikel 59, eerste lid, onder c, van de Woningwet nu uit controle ter plaatse is gebleken dat tot dan geen bouwwerkzaamheden zijn uitgevoerd.
Uitspraak
RECHTBANK MAASTRICHT
Reg.nr: AWB 02/1082 WW44 Z FEE
UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen
A te B, eiser,
en
het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.
Datum bestreden besluit: 10 juni 2002.
Kenmerk: 01.21-010722-A-BV.
Behandeling ter zitting: 18 maart 2003.
ONTSTAAN EN LOOP VAN DE PROCEDURE
Bij het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit van 10 juni 2002 (verzonden 12 juni 2001) heeft verweerder het namens eiser op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 21 juni 2001 (verzonden 28 juni 2001) ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de bij besluit van 14 september 1989 aan eiser verleende vergunning voor de bouw van een bedrijfswoning met werkplaats en stallingsruimte op het perceel aan de […], kadastraal bekend gemeente C, sectie […], nr. […]-[…] ingetrokken op grond van artikel 59, eerste lid, onder c van de Woningwet.
Tegen het besluit van 10 juni 2002 heeft eiser bij schrijven van 19 juli 2002 formeel beroep doen instellen bij deze rechtbank. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij schrijven van 21 augustus 2002.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden. De inhoud van deze stukken dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 18 maart 2003, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B. Vliegen, ambtenaar der gemeente.
OVERWEGINGEN
II.1 Bij besluit van 14 september 1989 heeft verweerder aan eiser – onder verlening van vrijstelling – een vergunning verleend voor de bouw van een bedrijfswoning met werkplaats en stallingsruimte op het perceel kadastraal bekend C, sectie […], nummer […]-[…].
Bij schrijven van 6 juni 1991 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt voornemens te zijn de aan eiser verleende bouwvergunning in te trekken.
Eiser heeft verweerder bij schrijven van 16 juni 1991 verklaard waarom hij nog niet met bouwen was begonnen en daarbij aangegeven dat zijn bouwplannen niet zijn gewijzigd. Verweerder heeft eiser vervolgens bij schrijven van 25 juli 1991 (verzonden 26 juli 1991) medegedeeld dat in ieder geval tot 1 augustus 1993 niet tot intrekking van de vergunning zal worden overgegaan.
Bij schrijven van 12 juni 1997 (verzonden 13 juli 1997) heeft verweerder eiser wederom bericht voornemens te zijn de verleende vergunning in te trekken omdat de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd. Daarop heeft eiser verweerder bij schrijven van 26 juni 1997 medegedeeld voornemens te zijn na de bouwvakvakantie met de bouwwerkzaamheden te starten. Verweerder heeft eiser bij schrijven van 10 juli 1997 (verzonden 11 juli 1997) medegedeeld tot 1 september 1997 niet over te zullen gaan tot intrekking van de bouwvergunning. Verweerder heeft eiser in dat zelfde schrijven medegedeeld dat verweerder overweegt de vergunning alsnog definitief in te trekken als eiser op 1 september 1997 nog niet is gestart met de bouwwerkzaamheden.
Bij schrijven van 21 juni 2001 heeft verweerder eiser medegedeeld dat verweerder heeft besloten de bij besluit van 14 september 1989 verleende bouwvergunning in te trekken op grond van artikel 59, eerste lid, onder c, van de Woningwet nu uit controle ter plaatse is gebleken dat tot dan geen bouwwerkzaamheden zijn uitgevoerd.
Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 8 augustus 2001 een bezwaarschrift doen indienen bij verweerder. Ter zake van het bezwaarschrift heeft op 7 november 2001 een hoorzitting als bedoeld in artikel 7:5 van de Awb plaatsgevonden. Van het horen is een verslag gemaakt.
Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 10 juni 2002 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Blijkens dit besluit worden - in tegenstelling tot het primaire besluit - twee argumenten aan de intrekking van de vergunning ten grondslag gelegd: behalve de omstandigheid dat eiser nog geen aanvang heeft gemaakt met de bouwwerkzaamheden speelt volgens verweerder een rol dat sprake is van gewijzigde planologische inzichten.
II.2 Eiser kan zich ook met dit besluit niet verenigen en heeft daartegen op 19 juli 2002 formeel beroep doen instellen bij deze rechtbank. De gronden van beroep zijn aangevuld bij schrijven van 21 augustus 2002. Eiser voert – zakelijk weergegeven – het volgende aan:
De strijd van het primaire besluit met artikel 4:8 van de Awb kan niet in bezwaar worden hersteld.
Door het lange tijdsverloop mocht eiser er genoegzaam op vertrouwen met een rechtsgeldige vergunning te doen te hebben die niet langer kon worden aangetast.
Eiser had de intentie om te bouwen hetgeen blijkt uit het feit dat hij tot verwijdering van de graslaag is overgegaan en dat hij navraag heeft gedaan bij de gemeente naar het peil. Eerst bij de gemeente heeft hij vernomen van het besluit tot intrekking.
Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd waarom eerst nu, rauwelijks, tot intrekking is overgegaan.
In het vigerende bestemmingsplan “Hoogveld” staat niet dat slechts één loonbedrijf wordt toegelaten.
II.3 De rechtbank dient thans, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden is overgegaan tot intrekking van de op 14 september 1989 verleende bouwvergunning.
Dienaangaande wordt overwogen als volgt.
II.3.1 De rechtbank zal allereerst ingaan op de namens eiser opgeworpen formele grief dat de strijd van het primaire besluit met artikel 4:8 Awb niet in de bezwaarfase kan worden hersteld.
Artikel 4:8 van de Awb bepaalt:
1. Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:
a de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en
b die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.
2 . Het eerste lid geldt niet indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting gegevens te verstrekken.
Artikel 4:11 van de Awb bepaalt:
Het bestuursorgaan kan toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 achterwege laten voor zover:
a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;
de belanghebbende reeds in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze bij een eerdere beschikking of bij een ander bestuursorgaan naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, of
c. het met de beschikking beoogde doel slechts kan worden bereikt indien de belanghebbende daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld.
Naar het oordeel van de rechtbank doet zich in casu geen van de in artikel 4:11 van de Awb genoemde situaties voor. Met name de tweede genoemde situatie is niet aan de orde nu verweerder er gezien het tijdsverloop niet zonder meer van uit mocht gaan dat zich geen nieuwe feiten of omstandigheden hadden voorgedaan. Derhalve had verweerder eiser in kennis dienen te stellen van zijn voornemen tot intrekking van de bouwvergunning over te gaan en eiser in de gelegenheid dienen te stellen zich met betrekking tot dat voornemen uit te laten.
Anders dan eiser is de rechtbank echter van oordeel dat schending van artikel 4:8 van de Awb wel in bezwaar kan worden hersteld nu eiser ten gevolge van het achterwege laten van het horen niet in zijn belangen is geschaad. Immers, eiser is in het kader van de bezwaarprocedure alsnog in de gelegenheid geweest zijn standpunt uiteen te zetten. Indien de namens eiser in de bezwaarfase naar voren gebrachte argumenten daar aanleiding toe zouden hebben gegeven, had het primaire besluit (tot intrekking van de bouwvergunning) ingetrokken kunnen worden waarna eiser alsnog met de bouwwerkzaamheden had kunnen starten.
De eerste grief van eiser kan dan ook niet slagen.
II.3.2 De rechtbank is voorts van oordeel dat, hoewel gezegd dient te worden dat verweerder niet bepaald adequaat heeft gereageerd, eiser er - gelet op de omstandigheid dat eerdere mededelingen van verweerder met betrekking tot intrekking van de vergunning ook steeds met tussenpozen van enkele jaren aan eiser zijn gezonden - niet op grond van het lange tijdsverloop op mocht vertrouwen dat de bouwvergunning niet langer kon worden aangetast.
Derhalve kan ook de tweede grief van eiser niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep.
II.3.3 Eisers stelling dat hij nog steeds de intentie heeft om te bouwen en dat zulks ook blijkt uit de omstandigheid dat hij bij verweerders gemeente navraag heeft gedaan in verband met het peil voordat hij kennis nam van het besluit tot intrekking van de vergunning treft evenmin doel.
De rechtbank constateert dat verweerder in het primaire besluit heeft gesteld dat uit een controle ter plaatse is gebleken dat ten tijde van het primaire besluit nog geen bouwwerkzaamheden waren uitgevoerd. Uit de stukken blijkt echter nergens wanneer en door wie die controle is uitgevoerd. Evenmin is duidelijk of bij gelegenheid van die controle foto’s van de situatie ter plaatse zijn gemaakt.
Wel blijkt uit de stukken dat tijdens een controle, die dateert van na het primaire besluit, is geconstateerd dat een aanvang is gemaakt met het verwijderen van de grasmat.
Naar aanleiding van de mededeling van verweerder in 1991 en in 1997 dat het voornemen tot intrekking van de vergunning bestond, heeft eiser te kennen gegeven dat hij nog steeds voornemens was het bouwplan uit te voeren. De rechtbank is van oordeel dat eiser nooit daadwerkelijk een aanvang heeft gemaakt met de bouwwerkzaamheden. Evenals in 1991 en in 1997 spreekt eiser wederom de intentie uit om te gaan bouwen. Gelet op de voorgeschiedenis mogen naar het oordeel van de rechtbank zwaardere eisen gesteld worden aan het aannemelijk maken van die intentie. Het weghalen van een grasmat en een bezoek aan de gemeente zijn onvoldoende om de aanvang van het bouwen dan wel de intentie tot dat bouwen aan te nemen, te meer nu eiser op geen enkele manier inzicht heeft gegeven in de planning van het project en het feitelijk bouwen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat door eiser noch offertes zijn overgelegd, noch stukken waaruit blijkt dat afspraken zijn gemaakt in verband met de uitvoering van de werkzaamheden. Blijkens de stukken werd de aanvang van de werkzaamheden in het verleden verhinderd door het feit dat de benodigde financiering niet was verkregen. Door eiser zijn evenmin stukken overgelegd waaruit blijkt dat die financiering thans wel rond is. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij reeds voorafgaande aan het primaire besluit kontakt heeft gehad met een aannemer. Nog afgezien van het late moment in de procedure waarop eiser deze stelling voor het eerst naar voren heeft gebracht, overweegt de rechtbank dat ook deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser voor ontvangst van het besluit tot intrekking nog geen aanvang had gemaakt met de werkzaamheden en ook anderszins geen blijk had gegeven van zijn intentie om alsnog te gaan bouwen. Aan een belangenafweging wordt onder die omstandigheden niet toegekomen.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook kunnen besluiten om op grond van het bepaalde in artikel 59, eerste lid, onder c, van de Woningwet over te gaan tot intrekking van de bouwvergunning. Het gewijzigd planologisch inzicht, dat door verweerder in het bestreden besluit mede aan de intrekking ten grondslag is gelegd, behoeft derhalve geen bespreking meer.
II.3.4 Eisers grief dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd nu niet wordt aangegeven waarom thans tot intrekking wordt overgegaan, treft evenmin doel nu het bestreden besluit - zoals hiervoor reeds overwogen – tweeledig is gemotiveerd.
II.3.5 Met inachtneming van het bovenstaande en op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb komt de rechtbank tot de onder III geformuleerde beslissing.
III. BESLISSING
De rechtbank Maastricht:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda
als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2003 door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
w.g. E. Ferwerda w.g. M.C. van Binnebeke
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
Verzonden: 18-04-2003
Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA
’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.
Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuurs-rechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

